|
|
|
|
Dogo Argentino Algemeen Het is een bond
die lijkt op de Duitse Dog; hij is echter kleiner, minder elegant en heeft een
korte, witte vacht. Hoofd Bol-holrond, dat
wil zeggen de schedel is bol zoals het bijterstype betaamt; de lijn van het
gezicht en de snuit zijn hol, zoals dat hoort bij een reuktype. Het gezicht is
even lang als de schedel; dat betekent dat de lijn die de twee wenkbrauwen
verbindt, even ver is van de achterhoofdsknobbel als van de rand van de
tandkassen van de bovenkaak. Als geheel moet de lijn van het gezicht enigszins
opgebogen zijn. De schedel wordt gevormd door een massieve hersenpan, die bol is
van voren naar achteren alsmede overdwars, door het reliëf van de kaakspieren
en de nek. De achterhoofdsknobbel mag niet uitsteken, omdat de sterke nekspieren
die volkomen vervagen; de nek is gewelfd. Lippen goed aansluitend, strak, met
iets overstekende randen, zwart gepigmenteerd. De lip moet heel kort zijn, zodat
(als de hond zich vastbijt) hij ook door de mondspleten kan ademhalen. Als de
lip te veel overhangt, zelfs al is de kaak nogal lang, zou hij bij het inademen
werken als een klep en op die manier de mondhoek dan afsluiten, hetgeen het dier
zou beletten ook door de mond adem te halen als hij zich eenmaal heeft
vastgebeten. Hierdoor zou hij genoodzaakt zijn even los te laten om geen
ademnood te krijgen bij grote inspanning, zoals dit het geval is bij rassen met
hanglippen. Neusspiegel diepzwart; wijde neusgaten. Gebit Goed scharend;
niet boven- of ondervoorbijtend; het is sterk, met goed ingezette en korte
tanden. Oren Hoog aangezet,
staand of halfstaand; altijd gecoupeerd. Ogen Donker,
overschaduwd door de oogleden, die van donkere of lichte randen zijn voorzien.
Ze moeten ver van elkaar staan; de blik is levendig en schrander, maar
tegelijkertijd ook met een opvallende hardheid. Lichaam Ruime borstkas;
van opzij gezien moet de onderbelijning lager liggen dan bij de ellebogen. De
ruglijn is hoger bij de punt van de schouder en verloopt lager naar het kruis.
Bij volwassen honden vertoont de rug (als de rug- en lendenspieren goed zijn
ontwikkeld) een middelmatige, brede geul langs de wervelkolom. Zwaar gespierde
lendenen. Hoge, zeer krachtige schouder, sterk en met grote spierreliëfs. Hals
sterk, gewelfd, sierlijk, met zware keelhuid, voorzien van plooien zoals bij de Mastino
en niet 'droog' zoals bij de Bull Terriër. De rekbaarheid van de keelhuid
wordt veroorzaakt door het celweefsel dat op die plek slap is, waardoor de
keelhuid over de peeskap aan de oppervlakte glijdt, dusdanig, dat de slagtand of
de klauw van de tegenstander (wild zwijn, poema, wolf enzovoort) alleen de huid
kan verwonden en de hond, als zijn prooi hem bij de keel probeert te grijpen,
zich toch kan vastbijten, omdat de keelhuid elastisch is en nogal wat meegeeft. Benen Voorbenen goed
recht gesteld; achterbenen met zeer goed gespierde dijen en lage sprongen; geen
hubertusklauwen. Voeten Voeten aan de
voorbenen kort; aan voorbenen en achterbenen goed gesloten. Staart Lang, hoog
gedragen maar nooit gekruid. Mag niet lager reiken dan tot aan de sprong.
Tijdens het gevecht heeft de hond de staart voortdurend in beweging zoals hij
dit doet als hij kwispelt of als hij met zijn baas speelt. Vacht Kort en vrij
grof. Kleur Geheel wit,
slechts een kleine donkere of zwarte vlek bij de ogen of op het hoofd vóór de
oren toegestaan. Bijzonderheden Diskwalificatie bij glasoog, doofheid, vlekken op het lichaam, langhaar, vleeskleurige
neusspiegel, hanglippen, schuchterheid en iedere ongerijmdheid van de proportie
van lichaamsdelen onderling, boven- of ondervoorbijten. |
|
U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website verzenden aanbeheer@hondenschool-appel.nl
Copyright © 2001 Hondenschool Appèl
|