|
|
|
|
Bouvier Algemeen Van oorsprong
werd de Bouvier gebruikt als veedrijver, als trek- of karhond op boerderijen. De
modernisering van het landbouwbedrijf heeft de eerdere werkkring veranderd en
daarom is hij tegenwoordig vooral bewaker van huizen en boerderijen,
verdedigings- en politiehond. Zijn lichamelijke vaardigheden,
karaktereigenschappen en zijn neiging om het initiatief te nemen en
intelligentie, maken hem ook geschikt om als speurhond te worden ingezet, als
helper tegen stropers. Hoofd Het hoofd heeft
een massief voorkomen, een indruk die nog wordt versterkt door de baard en snor.
In werkelijkheid staat het hoofd in een goede verhouding tot gestalte en bouw.
Bij betasting valt te constateren dat het hoofd goed is belijnd. De schedel is
goed ontwikkeld, vlak, iets minder breed dan lang. De lijnen van schedel en
neusrug verlopen evenwijdig. De verhouding in lengte van schedel en snuit is
3:2. De voorhoofdsgroef is weinig afgetekend. De stop is ook weinig afgetekend,
en is meer schijn dan werkelijkheid door de opstaande wenkbrauwen. De snuit is
breed, machtig en beenderig, met een rechtlijnige neusrug. De snuit vernauwt
naar de neus toe lichtelijk, zonder dat de neus puntig wordt. De omtrek van de
snuit, juist onder de ogen genomen, is ongeveer gelijk aan de totale lengte van
het hoofd. De neus is de verlenging van de neusrug, die in een licht gebogen
lijn naar de neusopening overgaat. Deze moet goed zijn ontwikkeld, de wanden
afgerond met open neusgaten. De kleur van de neus is steeds zwart. De wangen
zijn droog en vlak. Gebit De kaken moeten
sterk en van gelijke lengte zijn, de tanden sterk, wit en gezond. De
bovensnijtanden moeten over de ondersnijtanden vallen, als de snijvlakken van
een schaar. Het gebit mag ook als een tang sluiten. Oren In driehoeksvorm
gesneden, rechtop gedragen, hoog aangezet en zeer beweeglijk. Het verdient
aanbeveling rekening te houden met het formaat van het hoofd bij het afkorten
van de oren. Ogen De uitdrukking is
open en vol energie. Ze puilen niet uit, maar liggen ook niet te diep in de
oogkassen. De ogen zijn enigszins langwerpig-ovaal van vorm, en horizontaal
geplaatst. De kleur van de ogen moet zo donker mogelijk zijn, in verhouding met
de kleur van de vacht. Lichte ogen of ogen met een wilde uitdrukking moeten
streng worden bestraft. De oogleden zijn zwart zonder een spoor van
niet-pigmentatie. De bindvliezen mogen nooit zichtbaar zijn. Lichaam De hals wordt
vlot gedragen, is sterk gespierd en verbreedt zich geleidelijk naar de schouders
toe. De lengte van de hals moet iets minder zijn ,dan de lengte van het hoofd.
De nek is fors en licht gewelfd. De hals vertoont geen keelhuid. De schoft mag
lichtelijk uitspringen. De romp is fors en kort. De lengte van het boeggewricht
tot aan het zitbeen moet ongeveer gelijk aan de schouderhoogte zijn. De borstkas
moet tot aan de ellebogen reiken en mag niet cilindrisch zijn; wel moeten de
ribben gewelfd zijn. De afstand tussen het boeggewricht en de laatste rib moet
zeer groot zijn, ongeveer zeven tiende van de schouderhoogte. De eerste ribben
zijn gebogen, de andere gewelfd en zeer naar achteren gericht om de gewenste
diepte van de borstkas te krijgen. Vlakke ribben moeten zwaar worden bestraft.
De flanken, tussen de laatste rib en de heup gelegen, moeten zeer kort zijn, in
het bijzonder bij de reuen. De buik is een weinig opgetrokken. De rug is kort,
breed, gespierd en horizontaal, zonder zwakheid te tonen, maar moet ondanks dat
lenig blijven. De lendenen (nierpartijen) zijn kort, breed en gespierd. Ze
moeten lenig zijn zonder zwakheden te tonen. Het kruis verloopt in lijn met rug
en lendenen, om geleidelijk over te gaan tot de ronding van de dijen. Het is
breed en zonder overdrijving bij de reu, meer ontwikkeld bij de teef. Een
afzakkend of afvallend kruis is een erge fout. De huid is goed gespannen, zonder
losheid. De zichtbare slijmvliezen zijn steeds zeer donker gekleurd. De
zichtbare geslachtsdelen zijn volledig gevormd. Bij de reuen moeten de twee
teelballen op hun natuurlijke plaats liggen. Benen De ledematen van
de voorhand moeten goed gebot en gespierd zijn. De schouders zijn gespierd, maar
echter niet overladen. Het schouderblad is tamelijk lang en ligt matig schuin.
Het opperarmbeen en het schouderblad zijn ongeveer van gelijke lengte. De
ellebogen sluiten goed en evenwijdig bij de romp aan. Naar buiten uitstekende of
naar binnen staande ellebogen zijn foutief. Bij het gaan moeten ze zich in
vlakken, evenwijdig aan de middenlijn van het lichaam, bewegen. De voorbenen
moeten recht zijn, zowel van voren als van opzij gezien, evenwijdig met elkaar
en in een Ioodrechte lijn met de bodem. Ze moeten gespierd en zwaar gebot zijn.
De polsgewrichten zijn recht, in lijn met de voorbenen, alleen het hielbeentje
springt aan de achterzijde uit. De achterhand is matig, zeer flink gespierd. De
achterbenen moeten zich in dezelfde richting als die van de voorbenen bewegen.
De dijen zijn breed en zeer gespierd. Hun bewegingen moeten in een vlak
gebeuren, dat evenwijdig met de middenlijn van het lichaam verloopt. Het dijbeen
moet niet te recht en niet te schraag zijn. De schenkel moet laag komen, goed
gevuld en gevleesd zijn. De knieschijf is geplaatst op de denkbeeldige lijn, die
gaat van het hoogste punt van het darmbeen tot aan de grond. De achterbenen zijn
middelmatig, van lengte, goed gespierd, niet te recht en niet te schuin. Voeten De middenvoeten
van de voorhand zijn zwaar gebot, tamelijk kort, zeer weinig voorwaarts
geplooid. De voorvoeten zijn kort, rond en sterk. De tenen moeten gesloten en
gewelfd zijn, de nagels sterk en zwart, de zolen dik en hard. De middenvoeten
van de achterhand zijn sterk en pezig, eerder cilindrisch en loodrecht met de
grond als de hond 'staat'. De spronggewrichten bevinden zich eerder laag bij de
grond. Ze zijn breed, gespierd en goed bespannen. Van achteren gezien staan ze
recht en evenwijdig. Bij het gaan mogen ze niet sluiten, maar ook niet wijken en
zich daardoor van de loodrechte stand verwijderen. De achtervoeten zijn rond en
sterk, de tenen goed gesloten en gewelfd, de nagels sterk en zwart, de zolen dik
en hard. Staart De staart wordt
afgekort binnen een week na de geboorte, op twee à drie wervels. Hij moet in de
normale verlenging van de ruggegraat liggen, en hoog worden gedragen gedurende
de bewegingen. Sommige honden worden als kortstaart geboren en mogen daar niet
voor worden gestraft. Vacht De vacht is
weelderig. Het dekhaar vormt met het dichte onderhaar een beschuttende
bekleding, aangepast aan het vaak plotseling veranderende weer van het gebied
van oorsprong van het ras. Het haar moet ruig aanvoelen, droog en dof zijn, niet
te lang en niet te kort (ongeveer 6 cm lang). Het is licht warrelig, zonder
wollig of gekruid te zijn. Op de schedel is het haar kort, zeer kort zelfs op de
buitenkant van de oren, maar de ooropeningen zijn beschut door niet te lange
haren Het haar is bijzonder hard en krassend op de bovenrug. Het is korter op
het onderste deel van de ledematen, hoewel het daar ook ruig blijft. Glad aailiggend
haar dient te worden vermeden, omdat dit wordt veroorzaakt door een
gemis aan onderwol. Het onderhaar bestaat uit onderwol, gevormd door fijne,
dicht gesloten haren die onder het dekhaar groeien. Onderhaar en dekhaar vormen
samen een waterdichte bekleding. Snor en baard zijn goed gevuld. Het haar moet
droger en ruwer zijn dan op de bovenkant van de snuit. De bovenlip draagt een
snor en de kin een goed gevulde, ruige baard, die aan het ras de gewenste
grimmige uitdrukking geeft. De wenkbrauwen worden gevormd door rechtopstaande
haren, die de vorm van de wenkbrauwen doen uitkomen, zonder echter de ogen te
bedekken. Kleur De vacht is over
het algemeen vaal, of grijs, meestal gestroomd of charbonné. Ook een zwarte
vacht wordt erkend, maar zal geen voorkeur mogen genieten. De lichtgekleurde vachten, ook wel ontkleurde vachten genoemd, zijn ongewenst. Bijzonderheden Zware fouten: een te langlijnige lichaamsbouw; te lichte ogen; over- of onderbijten; vlakke, te lange of te veel gewelfde en daardoor te korte ribben; een afzakkend kruis; een ontkleurde vacht; zacht, wollig, zijdeachtig, te lang of te kort haar. Redenen tot uitsluiting: glasogen of een wilde ooguitdrukking; gevlekte neus; chocoladebruine vacht of een vacht met te veel wit; monorchisme of cryptorchisme.
|
|
U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website verzenden aanbeheer@hondenschool-appel.nl
Copyright © 2001 Hondenschool Appèl
|